Undercover in het normale leven

Sinds een paar weken heb ik twee baantjes. De ene is echt een ‘grote mensenbaan’ op een kantoor. De ander is meer een studentenbaantje, maar toch: sinds kort ben ik onderdeel van het werkende leven.

Gaat me dat gemakkelijk af? Nee. Mijn hoofd heeft van de nature de neiging de verkeerde kant op te trekken als ik niet oplet. Richting zelfhaat, streberigheid, achterdocht, suïcidaliteit, onzekerheid, somberheid, pessimisme, somatiseren. Ik moet mijn hoofd actief bijsturen, elke dag weer. Bouwen aan De Nieuwe Werken, zo noemt mijn psychiater het. Nieuwe wegen aanleggen in je hoofd en bewust besluiten deze te bewandelen in plaats van de oude.

Die oude patronen zijn zó ingesleten, het is zo lastig om niet op de automatische piloot te gaan en weer terug te vallen. Het vraagt continue activiteit. Voor het werk: hoe staat mijn blik vandaag? Moet ik het perspectief nog wat bijdraaien? Na het werk: hoe voel ik me nu? Wat was het effect van vandaag op mij? Ging het anders dan ik had verwacht? Opletten, analyseren, gadeslaan wat er nou écht gebeurt. Proberen nieuwe, objectieve kennis te vergaren, die bijdraagt aan het opbouwen van die Nieuwe Werken.

Soms kom ik thuis en voel ik me bekaf. Dan kijk ik terug op de dag en zie ik mezelf toch weer oude dingen doen. Ik neem het waar, ik probeer het te verklaren voor mezelf, ik voel het effect ervan op mijn gestel, ik schrijf het op, ik geef mezelf wat opdrachten voor de volgende keer.

Nee. Ik ben niet normaal. Niemand is helemaal normaal natuurlijk. Maar ik weet dat ik onherroepelijk pas op de plaats zal moeten maken als ik het niet zo doe als ik het nu doe: voorbereiden – uitproberen – analyseren – voorbereiden etc. Als ik wil meedraaien in het normale dagelijkse leven moet ik gedisciplineerd zijn en opletten. Altijd.

Af en toe vind ik dat confronterend of maakt het me moe, eenzaam. Mijn psychiater begrijpt het gelukkig heel goed en dat troost me heel erg. Mijn vriendin begrijpt het ook. Zij begrijpen dat het nooit een kwestie is van ‘even naar het werk gaan’, maar dat het meer lijkt op een militaire operatie.

Wil je dit dan echt, Rivka? Ja, ik wil dit echt. Ik heb altijd geweten en gevoeld dat ik niet van nature in de wereld pas maar dat ik héél graag wil leren hoe ik tóch kan meedraaien. Ik ben hier nu eenmaal, ik kan me gaan afzonderen, ik kan gaan lopen sippen dat de wereld niet past bij wie ik ben óf ik kan proberen om op mijn manier toch mee te kunnen doen.

Het is niet vanzelf goedgekomen met me. Ik heb ontzettend hard gewerkt. Ik heb niet afgewacht tot het beter ging. Wat ik kon doen, heb ik gedaan. Waar ik niks aan kon doen, heb ik langzaam laten helen. Na zeven jaar rommelen en op mijn bek gaan, ben ik nu weer in the game. Voor hoe lang? Geen idee. We gaan zien hoe lang ik de balans weet te bewaren.

Maar voor nu loop ik steeds met een brede lach het kantoorpand uit. Weer een dag undercover in het normale leven gehad, alsof ik ‘gewoon’ functioneer… Ik lach me dood en voel me trots tegelijk.