‘Triggers’ – subjectiefje 3

Als kind was ik heel erg gevoelig voor triggers. Niet dat iemand dat woord toen al gebruikte, maar dat terzijde. ‘Hooggevoelig’ zei mijn moeder. Dat kan wel zo zijn, dacht ik, maar ik wil die films gewoon kunnen zien. Ik wil de krant gewoon kunnen openslaan. Ik wil het nieuws kunnen kijken. Dus begon ik mezelf langzaamaan met die triggers te confronteren. Eerst met mijn ogen dicht, toen met één oog open, daarna volledig gefocust. Ik merkte dat de heftigheid afnam en dat ik het aankon.

Als je sommige mensen op Instagram moet geloven is de wereld er eentje vol prikkeldraad. Op elk moment van de dag kun je erin verstrikt raken, je opnieuw verwonden en oude wonden openhalen. Ik denk dat je een probleem hebt als je de wereld zo ziet. Ik vond dat ik een probleem had toen ik de wereld zo zag. Ik wilde volop in de wereld kunnen staan en verder kunnen kijken dan het prikkeldraad.

Je hoeft geen supermens te worden die overal maar tegen kan. Ik denk dat het te maken heeft met prioriteiten; wat zou je eigenlijk in de ogen willen kijken en waarom? De rest kun je misschien gewoon laten. Al zullen de mensen om je heen erg misschien anders over denken. En dat is meteen de reden waarom jezelf wel confronteren met triggers op nog meer vlakken handig kan zijn; je medemens. Die trekt zich over het algemeen weinig aan van jouw triggers. Mensen haten het gevoel van op eieren lopen. Je hoeft niet hard te worden, maar zorg dat je tegen een stootje kunt. Wie sterk wil worden, moet trainen.