‘Het leven is kut, volkomen kut, en is het even niet meer kut dan is het klote’
Dit liedje heb ik in mijn hoofd terwijl ik van mijn decaan naar huis loop.
Het is het liedje wat een goede vriend altijd voor me zong, toen ik voor het eerst in een depressie belandde. Dat het een depressie was, daar had ik toen nog geen idee van. Alleen die vriend, die zag het. Deze sfeerbrenger, grappenmaker, deze liefste en vrolijkste vriend die ik kende, hij herkende zich in mij en daar schrok hij zo van dat hij huilend wegliep.
Hij was zelf net genezen van een depressie en herkende bij mij al de symptomen.
We waren op zomerkamp, op een prachtige plek, met leuke leiding en leuke kinderen. En toch was het er voor mij de hel. De geluiden waren te hard, de stem in mijn hoofd was te gemeen, de somberte in mij week geen moment en ik was doodmoe, door gebroken nachten. Nachten waarin ik geluidloos gillend in de armen van mijn toenmalige vriend lag te vechten tegen de angstaanvallen. Stilletjes, met de kaken op elkaar, om de anderen niet wakker te maken.
Ik weet niet wat ik toen dacht en ik denk niet dat ik besefte dat ik hulp nodig had. Ik denk dat ik vooral niet wist wat me overkwam en teveel overdonderd was om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Hulp zoeken deed ik dan ook puur omdat die altijd vrolijke vriend en mijn inmiddels ex-vriendje vroegen of ik dat alsjeblieft wilde doen.
Dus zocht ik hulp, ging ik naar de psycholoog en ging ik ook weer bij haar weg. De angstaanvallen leken opgelost. Zo, klus geklaard, blik weer op oneindig en door!
Achteraf bleek dit pas het begin van een enorme reis. Een reis waarin ik honderdduizend keer heb gedacht dat ik het niet meer kon. Waarin ik heb gegild, gejankt, gekreund, gekronkeld, mezelf expres pijn heb gedaan, eindeloos veel kilometers door de natuur heb gesjokt, op mezelf in heb gepraat en nog een keer en nog een keer.
Ik heb gevochten als een leeuw om weer mezelf te worden en mijn oude weg weer te kunnen hervatten. Waarin ik vaak heb gedacht ‘Hè, hè, nu ben ik er eindelijk.’ Maar ik bleef maar vallen en ik viel nu weer en ik dacht, voor het eerst: ‘Wil ik dit nog wel?’
Wil ik nog wel zo hard vechten om mijn oude zelf terug te krijgen en wat zij deed, of moet ik misschien omarmen wie ik nu ben en wat ik nu kan?
Ik kon inmiddels niet meer. Ik was verstijfd. Ik stootte de mensen van wie ik het meest houd van me af. Ik zong niet meer.
Ik zong niet meer. Een duidelijker teken kon ik niet krijgen. En dus maakte ik een keuze en liet ik los. Ik liet los wie ik was of wie ik dacht te moeten en willen zijn. Eerst was ik woedend op mezelf en daarna was ik opgelucht. Wilde ik dansen in de zon. En daarna was ik moe, heel moe.
En nu ben ik vol. Helemaal vol met rouw. Ik begeef me in golven van rouw en alles daaromheen is een kale vlakte van ‘ik weet het even niet’ en pijn. Ik rouw om de mij die ik ooit was.
En ik kijk terug naar die mij en ik zie een meisje dat er alles voor over had om haar droom te vervullen. Dat haar ziel nog aan de duivel zou verkopen om dat te bereiken. Dat op het laatst zelfs zichzelf opzij schoof om nog te doen wat ze altijd al wilde doen.
Al die tijd denkend dat ze het juiste voor zichzelf deed.
Ze besefte niet dat ze zichzelf kapot knokte.
Dat oorlogsschip waarmee ik toen ten strijde trok om te vechten voor wat ik wilde, verbrand ik nu achter me. Ik kijk naar de vlammen en ik huil.
Ik huil om het verdwijnen van de zekerheid, een doel, een vlucht.
Vandaag ben ik een meisje dat over straat loopt met ‘het leven is kut, volkomen kut’ in haar gedachten, denkend aan die vriend, die als eerste de depressie in me zag.
Dat slopende, psychische ziekzijn, dat ik pas nu, 5 jaar later, langzaam aan het accepteren ben.
Ik heb altijd verwacht dat ik aan het einde van de rit, van het gevecht, mezelf terug zou vinden. En ja, dat is in zekere zin ook zo. Maar ik herken haar bijna niet meer terug. Ze is iemand anders geworden.
Wat zij wil en wie zij is? Ik heb geen idee. Ik ken haar nog maar net en ze verbaast me, iedere dag.
Ik voel wel dat zij misschien totaal andere keuzes nodig heeft dan dat lang verloren meisje van 5 jaar en langer geleden.
Ik, in mijn nieuwe gedaante, snap vaak nog geen zak van het leven. Het enige wat ik weet, is dat het altijd maar doorgaat, ook als je denkt dat het stilstaat. En dus ga ik maar, waai ik maar mee.
De tijd houdt mijn hand vast en het enige wat ik moet doen is me zachtjes laten meevoeren. En soms eventjes stilstaan en in de spiegel kijken naar dat meisje dat vandaag voor me staat en luisteren naar wat zíj wil.

Deze blog verscheen eerder op dsmmeisjes.nl

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You may use these HTML tags and attributes:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.