Ik sta aan de kant en ik kijk. Ik wil het zien, ik wil het gadeslaan. Ik wieg van mijn ene op mijn andere been. Ik wil wel meedoen, maar ik voel me nog te klein, te pietluttig. Er zit iets in mijn binnenste op slot. Door de losheid om mij heen voel ik de knoop weer extra goed zitten. Ik zou weg kunnen lopen en me verstoppen, maar dat doe ik dan ook weer niet. Want ik wil kijken en verlangen. Ik houd mijn hoofd omhoog, mijn schouders recht. Ik kijk om me heen. Niemand die naar me kijkt. En al keken ze wel; ik heb lef. Ik ben verlegen en ik voel me enigszins ongemakkelijk, maar hoeft dat verstopt? Nee, voor deze keer niet.

Ik ren naar huis. Dat lichaam van mij laat me hollen over de stenen. Er is even geen hoofdpijn, geen rug- of beenpijn. Er is alleen dat vaart makende lichaam, met hijgende ademhaling. Het is lekker. Dansen kan ik nog niet, maar rennen kan ik als de beste. Het is mijn manier van even losgaan.

Als ik thuiskom, kruip ik in bed. Wanneer ik mijn ogen sluit, herhalen alle taferelen zich nog eens. Ik hoor de muziek weer, ik voel de sfeer. Mijn zintuigen hebben wagenwijd open gestaan en ik voel het. De verwerking begint nu en ik kan de slaap niet makkelijk vatten. Als ik eenmaal slaap, droom ik de meest angstaanjagende en gewelddadige taferelen. Al mijn angsten nemen groteske en absurde vormen aan. Ik word al vroeg wakker, slecht uitgerust. Ik wil weer terug in slaap komen, maar nu graag de leegte en de rust ervaren.

Als ik weer wakker word, heb ik zin om me te verstoppen in bed. Ik voel me klein, ik voel me flets, ik voel me onaf. Ik ben een vluchtige schets, niet meer dan dat. Nog niet in staat tot losbandigheid of loslaten. Ik moet mijzelf bij elkaar houden. Als ik het nu laat gaan dan ben ik zo weer weg.

Want ik ken het ook. Dat losgaan. Dat even weg zijn uit je bewustzijn van jezelf. Ik vond het het heerlijkste wat er bestond. Het was mijn reden tot leven. Tot ik met elke keer in de wolken zijn, steeds meer wegvloog. Dan kwam ik na een hemelse ervaring weer op aarde, met steeds minder van mij wat over was om het daar te redden.
Ik bestond slechts als ik mijzelf verloor.
Tot ik mijzelf helemaal verloren was.

En daarom huil ik nu. Want ik wil wel weer vliegen, maar ik durf nog niet. Maar ik wil wel. Want ik zie het anderen doen en ik mis het. Ik verlang ernaar. Maar het is nog te vroeg.Voor nu ben ik iets wat ik nog nooit eerder was: de toeschouwer.
Die eeuwige aandacht die ik altijd kreeg, heb ik even weggedaan en verruild voor een plek in de schaduw, in de luwte van het publiek, aan de rand van de dansvloer. Om weer op krachten te komen en te kijken hoe ik op beide benen moet staan, zonder steeds weg te willen vliegen of te vluchten in iets.
Er gewoon te zijn. Zo flets en klein als ik me voel.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You may use these HTML tags and attributes:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.