2 juni 2017

Dissociëren, hyperventileren, huilen, mezelf krabben, verstijven, snauwen; ik doe het allemaal dwars door elkaar heen in de spreekkamer van de psych. Eerst is ze streng, noemt ze me hysterisch, gebiedt ze me bijna uit de aanval te komen. Daarna is ze lief en meelevend. Ik snap het. Ze is arts en het heeft geen zin als ze met me mee gaat huilen, haar rol is proberen mij zo rustig en stabiel mogelijk weer naar huis te laten gaan. “Wil je opgenomen worden?” vraagt ze nog. Ik val stil. Nee, dat wil ik niet. Maar zij en ik weten allebei dat het vroeg of laat toch zal gaan gebeuren als ik zo doorga als nu.
Bij de deur valt ze even uit haar rol, pakt ze met beide handen mijn hand beet en aait ze over mijn arm. Het is fijn. Ik loop buiten en ben gek genoeg weer rustig. Blijkbaar moest ik even onweren, om daarna te kunnen opklaren. De spanning was al dagen om te snijden en ik had al steeds het idee dat ik uit elkaar zou knallen. Dat dat uiteindelijk binnen de veilige muren van de spreekkamer gebeurt, is eigenlijk een zegen.
In de trein terug moet ik lachen. Ik was echt pissig op de psych, heb het uitgesproken en ze reageerde er goed op.
“Wanneer kom je terug?” vroeg ze aan het einde van het gesprek. “Nooit meer,” grapte ik cynisch. Ze moest er om lachen. “Wat een typische borderline-reactie, heerlijk” zei ze.
Wat een malligheid. Ik zou mezelf nooit zo laten gaan normaalgesproken. Maar blijkbaar kan het gewoon. Het voelt eigenlijk heel lekker om een beetje ergens tegenaan te schoppen. Misschien beland ik dan alsnog in die overgeslagen puberteit, we zullen zien. 😉