Gedichten

Nieuwjaarswensen

Weinig eenzamer
Dan de dagen vol gemeenschapszin
Pas ik nog wat minder in
De norm, de standaard, de mores
De lieve vrede zonder sores
Is er nog wel plek voor mij
Voor iemand niet zo vrolijk
Vaak moe, net wat te eerlijk
Te onaangepast, niet gepolijst genoeg
Is er nog ruimte om me te uiten
Of kan ik me beter weer binnensluiten
In mezelf, de enige plek waar ik precies lijk te passen
Voor de rest voel ik me losgeraakt
Van alle mensen
De beste wensen van deze dag
Sla ik liever even over
Als dit is wat ik wensen mag

Ik droomde je klein en zacht
Dicht bij mij gekropen
Bleek ik veiliger dan de nacht

Je lag naast me opgekruld
Een plekje gevonden
Mijn bed met jou gevuld

Je lijf was nog kleiner
Je gezicht nog rond
Samen was gewoon fijner

Maar vandaag stond ik op
Lag je niet in mijn bed
Zat je slechts in mijn kop

Daarom mis ik je dus
Mijn ooit kleine broertje
Ik altijd grote zus

Ik verspil al mijn energie
Aan het gewicht van mijn gedachten
Ik maak alles zwaar
Mijn schoenen zijn vol lood

De liefde vraagt me
Om het open zijn te verdragen
Maar soms wil ik niets liever
Dan stilletjes sluiten

En dan trekt het aan me voorbij
Zonder me te raken
Het goede en het slechte
Ben ik weer onaantastbaar

Het leven fluistert me toe
‘Blijf maar bij me’
Maar soms ben ik vermoeid
Sluit ik ramen en deuren

En dan trekt het aan me voorbij

Bank aan het water
Wordt al steeds later
Muts op m’n kop
Gedachten non-stop
Nacht in de gracht
Niemand die wacht
Verleden geen rust
Stem die wat sust
Ineengedoken
Zie nog steeds spoken
Wangen verbleken
Vol met gebreken
Ruisende bomen
Warrige dromen
Stemmen op straat
Borst vol met haat
Mensen op fiets

Wil in je armen
En verder niets

Ik wil rimpels in mijn gezicht
Schaterend lachen, brullend huilen
Ik wil zingen in het diepe
En dansen in het felste licht

Ik wil scheuren in mijn kleren
Rozengeur, verrotte lucht
Ik wil openstaan voor liefde
En dat steeds opnieuw proberen

Ik wil blaren op mijn voeten
Het mooiste geluk, de grootste pijn
Ik wil door en door ervaren
Ik wil leven, ik wil zijn

Ik speelde mooi weer
Maar jij voelde striemende regen
Rook mijn angstzweet
En dit is wat je zag:
Klein meisje weggedoken
In nette grotemensenkleren
Met passende confectie-lach

ze stribbelde tegen
stortte in elkaar
schreeuwde van pijn
en om nieuwe pijn
om die andere te dempen

maar ik nam haar to­ch mee
ik wilde haar laten zien
dat men haar lief kan hebben
zo kwetsbaar, zo st­erk als ze is

in het begin gooide ze luiken dicht
verstijfde ze van angst
de adem joeg hortend en stotend
hoog door haar borst

maar later werd ze warm en zacht
Mooi
hoorde ze
Mooi

en ze geloofde het
en keerde haar bleke gelaat
naar de zonnige woo­rden

haar spieren verzac­htten
net zoals haar lang verborgen gedach­ten
die in straaltjes uit haar ogen sijpeld­en
ze liet ze maar str­omen

ik wilde haar iets nieuws en moois leren
gaf niet toe aan ha­ar schreeuwende angst
en zo nam ik mijn lijf mee op reis

Ik kijk van een afstand
Naar het leven waarvan ik dacht
Dat het mij toebehoorde
Het stond al voor me klaar
Ik hoefde het slechts nog te gaan leiden

Het is zich af gaan spelen
Zonder mij in de hoofdrol
Het verhaal wordt al verteld
Maar ik sta in de coulissen
En kan slechts toekijken

Applaus klinkt uit de zaal
Ik zie de mensen op het podium stralen
Omdat ze in hun kracht staan
Hun namen worden genoemd
Het verhaal is van hen geworden

Ik loop de zaal uit
Ik ga op zoek naar een verhaal
Waarin ik zo ontzettend thuishoor
Dat ik me niet meer voor kan stellen
Dat ik ooit toeschouwer was

Tongen die botsen
Een verdwaalde spetter spuug
Landt zachtjes op de grond
Van de stiltecoupé
Een hand verdwaalt
Onder een broekrand
Vingers strelend
Op onbekende huid
Mensen schuifelen ongemakkelijk
Sluiten hun ogen
Koptelefoons gaan op
Muziek blazend in hun hoofden
Visualiseren zij allen
Iemand die liefdevol
Woordjes in hun oor fluistert
En zij het zijn:
Een klef stel in de trein

Stroomt het leven door mij
Of stroom ik door het leven
Kan ik tegenspartelen
Tegen de stroom in zwemmen
Moe worden
Meegesleurd
Aanspoelen

Zal iemand mij dan vinden
Zich bekommeren
Mij opnieuw leren zwemmen
Met lange, krachtige halen
Zodat ik niet kopje onder ga

Mag ik niet gewoon drijven
Even drijven en kijken
Naar de lucht
Die misschien wel zonder wolken is
Het water glad als een spiegel

Oh golven, gun mij rust
Laat mij maar zachtjes deinen
Wieg mij als een kind
In de armen van een moeder
Dat heb ik zo gemist

Had ik een dak dan schreeuwde ik er vanaf
Hoe lief, eindeloos lief
Had ik een lied dan zong ik uit volle borst
Hoe mooi, eindeloos mooi
Had ik een pen dan zou ik schrijven
Hoe bijzonder, eindeloos bijzonder

Door jou vullen halflege glazen zich
Blijven zinkende schepen drijven
Valt Icarus niet langer naar beneden

Rolt Sisyphus nog eenmaal de steen omhoog

Had ik een dak dan schreeuwde ik er vanaf
Hoe jij, eindeloos jij
Voor mij

Ik ben al in rouw voor het einde er is
Ben nu al heel bang voor wat nog niet begon
Ik ben al verdrietig voordat ik je mis
Denk donkere wolken voor stralende zon

Wat nog niet gebeurde heb ik al gevreesd
Elk rampenverhaal is door mij al bedacht
Ik ga al naar huis voor de start van het feest
Mijn ogen gesloten al lang voor de nacht

Nog voor het bedriegen ben ik alvast kwaad
Ik heb al verloren voordat ik wat geef
Temidden van vrede voel ik al de haat
En ben al gestorven terwijl ik nog leef

Ooit dansten zij in mij
Het hart, de longen
In hun ritmische cadans
Vonkjes levensvuur spatten in het rond
Ze maakten hun eigen zomer
Zelfs als de sneeuw viel

Maar nu houden ze mij slechts in leven
Hun energie is schor gefluister
Misschien zijn ze het dartelen verleerd
Ze zijn terneergeslagen
Creëren slechts nog doffe ademstoten

Waartoe bewegen wij? hoor ik ze denken
Bewegen wij slechts omdat niks ooit stilstaat?

Mijn hart en mijn longen
Ze hebben nog niet opgegeven
Blazen warme adem
Die dingen kan ontdooien
En als het eenmaal dooit
Dan kan de lente komen

De avond en de schemer zijn om in te zwerven 
Om gedachten en tranen de vrije loop te laten
Er is een soort rust in de wereld en ik kan me al lopende verstoppen in het duister
Op stenen muurtjes zitten mijmeren
De koele lucht voelen stromen
En ik ga nog niet naar huis
Mijn voeten gaan pas terug als het in mij weer veilig is
Als ik weer geloof dat ik het kan en niet verdwijn
Me weer even stoer voel als ik diep vanbinnen ben

Ik gedij in het mysterieuze van de lege straten en de verlaten parken
Morgen is een onbeschreven dag
Alles is weer nieuw en wat mij definieert is heus goed diep vanbinnen opgeslagen
Met een veilige warme wand eromheen

Het ritselt in mij en oude stemmen fluisteren hun bezweringen

Maar in feite ben ik onaantastbaar en er is nog nooit iets van mij onherroepelijk verloren gegaan
Ik vond alles vroeg of laat weer terug

Ik ben veilig opgeslagen in mezelf en niemand die daar bij kan komen

Er zit urgentie in me
En wat ik wilde worden
Dat bleek ik al te zijn
Hoef ik niet langer na te jagen

Een kunstenaar hoort niet thuis
Op een kunstenaarsschool
Want het leven zelf
Is al een hele kunst

Ik vlucht niet langer
Het is tijd om thuis te komen
En daar alles te vinden
Wat ik zocht

Soms ben ik in balans
Maar vaak duik en graaf ik diep
Tot mijn oren suizen
En mijn lichaam pijn doet

Kalmte is goed voor mij
Maar in de pieken en de dalen
Kom ik tot leven
Tot er afgematte leegte rest

En dan denk ik
Nu ben ik op en kapot
Maar de rit begint
Altijd weer opnieuw

Jij herkent me
Vanuit de verte
En ik reik je mijn hand
Door de ruimte heen

Om samen te leven
En te vallen
En te leven
Léven

Ik wil je niet om de oren slaan met geluk
Ook ik weet wat gemis is, angst
En pijn die eindeloos lijkt
Voortgetrokken worden en niet meer willen
Je opsluiten in een kast en niet meer weten hoe dat moet
Die deur openen
Dat licht instappen

Ik lag daar ook
Onder die deken
En die psychiater die door de telefoon zei
“Je moet dat bed uit”
En hoe onmogelijk dat toen voelde

Mijn geluk is niet de gelukzalige zweem
Of jou een rad voor ogen draaien

Het is onderdeel van mij
Even belangrijk als het duister
Maar geen zegening die ontbering ongedaan maakt

Geen klap in het gezicht van mensen die vandaag
Niet weten of ze willen bestaan

Ik reik je de hand
Vanuit dit lijf waarin alles altijd stroomt
En niks een eindstation is of een walhalla

Ik stroom naast je en soms even door je heen en dan weer alleen
Maar we staan nooit stil
Nooit stil

Eindelijk neem ik vaste vormen aan
Bewonder mijn gestalte
Aanvaard wat van binnen
naar buiten schijnt
Maar pas op
Kom niet te dichtbij
Ik ben zo teer
Als de vleugels van een vlinder

Zie mij
Heb mij lief
Maar raak mij niet aan

Vannacht toen het donker was
Heb ik het licht gezien
Het verlichtte mijn ziel
Ik keek er eens rond
Ik sloeg wat draden schuldgevoel weg
Verbrandde wat angst in een vuur
De hitte ervan deed zeer
Maar daarna voelde ik me opgelucht
Op sommige plekken
Werd ik aangevallen door woede
Ik nam het in mijn armen
En suste het tot het in slaap viel
De vreugde danste rond
Niet te stoppen was ze
Ik moest er erg om lachen
Verliefdheid droop van wanden
Hing op banken
Ik doopte mijn vinger erin
Het smaakte zoet
Ik begreep dat je er niet teveel van moet snoepen
In een donker hoekje
Vond ik de schaamte
Ik zette haar in het volle licht
En vertelde dat ook zij er mag zijn
Het verdriet hing overal rond
Pakte me vast en liet me niet meer los
Maar ik liet me er niet door tegenhouden
Want in het midden van mijn ziel
Zat er iemand op een stoel
En toen ik keek wie daar zat
Zag ik dat ik het zelf was
Ik zag dat ik genoot
Van alles wat aanwezig was
En niks leek teveel te zijn
En niks was ondervertegenwoordigd
Ik heb mezelf nog nooit
Zo volmaakt tevreden gezien

Op deze website maak ik gebruik van kleine bestanden (cookies) die ik of andere partijen op je apparaat opslaan. Je hebt het recht om te kiezen of je al dan niet statistische en profileringscookies wilt inschakelen.

Door deze cookies in te schakelen, help je me om je een betere ervaring te bieden.

Privacybeleid