Het park ligt inmiddels vol met goudkleurige blaadjes, maar een halfjaar geleden waren de bermen er bezaaid met krokussen. Ontluikende lente en ik, hand in een hand met een nieuwe vrouw, erdoorheen lopend.

Ik had er inmiddels vrede mee gesloten dat ik alleen zou eindigen, in een klein huisje gevuld met katten. Dit vooruitzicht stemde me niet per se treurig, ik had er een zekere gelatenheid in gevonden. Verliefdheid stond voor mij gelijk aan verschrikkelijke, gekmakende afhankelijkheid en pijn. Bij de gedachte dat iemand me aan zou raken kromp ik al in elkaar. Daarnaast achtte ik mijzelf veel te ingewikkeld om met iemand te zijn. Veel te snel moe, veel te veel stemmingswisselingen, veel te veel angsten. Ik was gewoon teveel gedoe.

En toch liep ik daar toen, langs de Singel. Want uit het niets was daar ineens een vrouw, die mij dwars door al mijn beschermingslagen in de kern had getroffen. Die me met haar warmte precies daar raakte waar het het meest bevroren was in mij. Die me woorden schreef die stilletjes naar binnen kropen.
Ik voelde me openen en ontdooien en ik vond het prachtig. En ik vond het doodeng. Mijn lichaam verzette zich, verkrampte totaal. Maar in mijn buik huppelden voorzichtige lentelammetjes.

Daar op die lentedag, op 5 maart 2017, begonnen zij en ik een reis. Een reis langs woeste ravijnen en lieflijke landschappen. Door wilde stormen en milde briesjes.
Ik heb mezelf meerdere malen afgevraagd of ik dit wel kon, want het verbinden voelde soms ondraaglijk en haalde mijn diepst verborgen pijn en herinneringen naar boven. Maar ik voelde mezelf ook helen. Ik voelde hoe mijn lichaam zich ten diepste ontspande. Hoe ik keuzes maakte die ik nooit eerder had gedurfd. Ik ontdekte dingen in mij die ik niet voor mogelijk had gehouden.

Ik voelde mij al mijn hele leven eenzaam. Die eenzaamheid droeg ik als een schaduw met mij mee. Als kind praatte ik over een man die ik zag staan in de verte, als een schim tegen de horizon. Ik mistte hem intens. Wie die man was, dat wist ik niet. Maar hij was niet bij mij en dat maakte me heel verdrietig.
Als tiener omhulde de eenzaamheid me als een deken. Ik was altijd op zoek naar verbinding, maar met hoeveel mensen ik ook sprak: ik vond nooit wat ik zocht.
Als twintiger omarmde ik de eenzaamheid. Ik aanvaardde het en maakte er een toevluchtsoord van. Ik trok me terug in mij en liet het zoeken naar verbinding voor wat het was. En toch bleef ik er stiekem naar verlangen. Hoopte op een dag iemand tegen het lijf te lopen tijdens een van de wandelingen die ik in mijn eentje maakte. Iemand die ik in de ogen zou kijken en die dan zwijgend naast me zou komen lopen.

Sinds een halfjaar weet ik dat hetgeen waar ik al die tijd naar zocht, wel bestaat. Er zijn momenten waarop ik me intens verbonden voel, haast alsof ik samen met haar samensmelt tot één wezen. Het is één van de mooiste, meest ontroerende gevoelens die ik ooit ervaren heb. Iets waarvan ik vaag het bestaan wel vermoedde, maar wat ik nog nooit gevonden had. Tot ik haar leerde kennen.

Maar ik heb ook geleerd dat liefde geen nirwana is. Geen oplossing voor al mijn problemen. Zij is er niet om mijn pijn weg te nemen of om altijd voor me te zorgen.
Zij is er om mij te confronteren met duizend spiegels waarin ik mezelf zie. Om mijn diepste angsten en gevoelens onder ogen te zien. Liefde leidt tot samenzijn, maar ook tot het creëren van een groter en sterker individu.

Ik ben niet ineens gelukkig. Ik ben niet ineens nooit meer eenzaam. Ik ben nog steeds verantwoordelijk voor mijzelf.
En toch maak ik deze reis liever met haar dan alleen. Omdat ik zoveel van haar leer. Omdat ik zoveel door haar ontdek. Omdat ik zoveel door haar voel.
Ik wil haar zien, voelen en volgen. Ik wil met haar dingen creëren die nog niet bestonden.
Ik wil met haar ervaren. Het pijnlijke en het rauwe en het mooie en het zachte en het spannende en het saaie en het kwetsbare. Rustig en aandachtig, alsof we alle tijd van de wereld hebben. En soms juist alsof het onze laatste dag is.

Maar boven alles wil ik haar nog steeds van de daken schreeuwen: Anne, mijn vrouw!

Had ik een dak dan schreeuwde ik er vanaf
Hoe lief, eindeloos lief
Had ik een lied dan zong ik uit volle borst
Hoe mooi, eindeloos mooi
Had ik een pen, dan zou ik schrijven
Hoe bijzonder, eindeloos bijzonder

Door jou vullen halflege glazen zich
Blijven zinkende schepen drijven
Valt Icarus niet langer naar beneden

Rolt Sisyphus nog eenmaal de steen omhoog

Had ik een dak dan schreeuwde ik er vanaf
Hoe jij, eindeloos jij
Voor mij

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You may use these HTML tags and attributes:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.